Twintig hele lieve zachte, kleine kusjes.

Een oproep.
Vrijdagavond. Ik zeg als ik direct kan komen dan doe ik het.
Daar is natuurlijk overleg voor nodig met de ouders en het ziekenhuis.
Ik word teruggebeld en krijg te horen dat het kan.
Ik pak de auto om er snel te kunnen zijn.

Ik loop naar de intensive care unit voor baby’s en moet even wachten op de ouders. Het kindje is te vroeg geboren en heeft te weinig zuurstof gekregen tijdens de geboorte. De moeder heeft zwangerschapsvergiftiging en is nog steeds flink ziek daarvan. Dit zal de eerste keer zijn dat ze haar kindje ziet.

Zij wordt in bed naar de unit gereden, haar man loopt naast haar. Ze krijgt het kindje op haar borst en wordt verdrietig. Heel stil verdrietig. Ingetogen huilt ze en ze is onder de indruk. Zoekt contact met haar man om het verdriet te delen. Hij kijkt alleen maar naar hun kindje en aait haar en is dichtbij. Wat een intens moment, ook om bij te zijn, dit is zo van hen. Ik voel me even te veel, te dichtbij en geef ze ruimte om te ervaren, te voelen.

Daarna kom ik weer terug op de kamer en maak foto’s. Van de vader die zijn kindje een kus geeft, hij geeft er wel twintig. Hele lieve zachte, kleine kusjes. Van de moeder naar haar baby kijkend, met een traan op haar wang en voorzichtig een kus drukkend op het mooie koppie van haar baby. Er is een verpleegkundige die benoemt dat het hun kindje is, dat ze ook moeten genieten, dat ze ouders zijn geworden. Soort van persoonlijke begeleider / verpleegkundige. Dat is denk ik fijn want er is noodgedwongen een onnatuurlijke afstand ontstaan tussen kind en ouders omdat zowel moeder als kind niet oké waren. Wat heftig en ingrijpend. Ook omdat je weet dat het kindje straks zal komen te overlijden. Het kindje wordt rustig als het op de borst ligt van de moeder. Ik maak nog een paar foto’s en zeg dan dat ik klaar ben tenzij zij nog iets hebben bedacht. Nee.
Ze bedanken me, wel tien keer en vragen of ze mijn adres mogen hebben omdat ze zo dankbaar zijn. Ik bloos van de hoeveelheid dank je wellen. Ik geef aan dat de stichting het wel kan regelen. Dat als ze een bedankje sturen, het bij mij terecht komt. Dankbaar werk.

Ik loop terug naar de auto en rijd weg. Onderweg zie ik iets onder de ruitenwisser zitten. Ik baal, een bon? Thuis gekomen haal ik het briefje er onderuit. Geen bon maar een waarschuwing dat ik daar niet had mogen parkeren. Gelukkig.